Geschiedenis, kunt en erfgoed In Lippenhuizen e.o.
door Gerhild van Rooij

Koolzaadgeel
Het geel van de van onder naar boven toe bloeiende bloementrossen van koolzaad valt meteen op tijdens een fietsrit of korte of LAW-wandeling vanaf, door of naar Lippenhuizen toe. Bij loodgrijze dagen vormen de trossen met tot wel veertig bloemen, een prachtig tegenwicht en op zonniger dagen schitteren ze onder blauwe luchten, eeuw in, eeuw uit.
Welke flora of bebouwing er anno 2026 ook op de achtergrond te zien is, de gele accenten van de pollen van dit een- of tweejarig koolzaad, zijn niet te missen. Deze inheemse plant Brassica napus. Koolzaad, kortweg kool, staat in Lippenhuizen op diverse plaatsen naast het fietspad, langs een deel van de velden die vanaf het pad te zien zijn en in enkele wilde, inheemse tuinen in Lippenhuizen of aan de straatzijde tegen een hek, onder een haag door tot zelfs rond een lantaarnpaal.

Herkomst Koolzaad
Koolzaad komt oorspronkelijk uit het Oostelijk deel van de Middellandse Zee. In India komt koolzaad rond 2000 voor Christus voor. De Romeinen kenden de plant en zo is de plant verwaaid geraakt naar veertiende eeuws Midden-Europa en werd het in de zeventiende eeuw, de tijd van Jan Luyken, het belangrijkste oliegewas in Nederland en Duitsland. In die tijd wordt de olie uit koolzaad en raapzaad in oliemolens tot raapolie geslagen.
In onze eenentwintigste eeuw zijn er veel meer lichtbronnen beschikbaar zonder dat we een lamp moeten vullen en is licht niet voorbehouden aan de rijkste klasse. Het gewas wordt wereldwijd nog geteeld en op akkers verbouwd, voor lampenolie, als basis voor zeep en verf, enatuleum (milieuvriendelijk carboleum) door aanpassingen en nieuwe rassen ook voor de voedingsindustrie en zelfs als biobrandstof.

Arme grond in Lippenhuizen
De kleur rood op dorpsvlag en het dorpswapen van Lippenhuizen verwijst naar de voormalige arme heide grond in Lippenhuizen. De koolzaadplant uit de kruisbloemenfamilie Brassicaceae staat veelal op arme grond en is een allopoïde plant, ontstaan uit een kruising (het aantal chromosomen van koolzaad is 2b+38, waarvan 20 van de Brassica rapa en 18 van de Brassica oleracea). De plant heeft een vlezige penwortel.
De rechtopgaande holle, omhoog vertakte stengel kleuren heeft bladeren die aan de onderzijde blauwgroen kleuren en voor een deel staan er borstelharen op de middennerf. De bovenste bladeren zijn stengelomvattend met ondiep-hartvormige voet, de onderste langrond tot lancetvormig met tot 15 cm lange bladsteel, 5-25 cm lang en 2-7 cm breed, meest ongedeeld of zes veerdelig met getande of ongetande lobben en eironde getande eindlob.

Bij op koolzaad en dorpsvlag
Koolzaad is ecologisch waardevol en draagt bij aan de biodiversiteit , de plant trekt insecten aan waaronder honingbijen en wilde bijen, er is zelfs een speciale koolzaadbij. De bij die het dorpswapen en de dorpsvlag van Lippenhuizen, siert hoort bij de arme grond.
De vlag en het wapen, zijn ontworpen door J.C. Terluin en in 1991 geregistreerd. Terluin plaatste de bij op de dorpsvlag, deze heeft zeven even hoge lengtebanen van rood en geel, met daarop in een groen vierkant kanton met een hoogte van drie banen, de gouden bij rechtsschuin geplaatst De ontwerper paste in de vlag dezelfde heraldische kleuren keel (rood), goud (geel) en sinopel (groen) toe als op het dorpswapen waarop ook de bij staat.

Bij op het dorpswapen
De blazoenering van het dorpswapen luidt: “In keel staan drie uitgerukte bomen van goud), de middelste groter dan beide andere; over alles heen is een schuinbalk van sinopel geplaatst, beladen met een bij, geplaatst tussen twee boekweitkorrels in de richting van de balk, alles van goud.” De bomen zijn ontleend aan het in 1818 officieel vastgesteld gemeenteapen van Opsterland. Langs het fietspad staat ook wel koolzaad onder bomen.
Het rode veld staat voor bloeiende heide, de groene schuinbalk staat voor de in Lippenhuizen gegraven kanalen om de in dit gebied gewonnen turf af te voeren. De boekweitkorrels en bij in de schuinbalk verwijzen naar de verbouw van boekweit op de arme grond en het houden van bijen in het voormalige heidegebied.
Historische koolzaadlampolie
Uit koolzaden kon lampolie geperst worden in een tijd dat lampen voor buiten en binnen een voorrecht was voor de rijken uit die tijd. De armere bevolking had alleen een vuur dat tegelijk als licht, verwarming, kook- en wasplaats diende. Als de zon onderging was het werk gedaan en was er geen afleiding. Jan Luyken (1649-1712) schreef in de zeventiende eeuw over het menselijk bedrijf waaronder het maken van olie, van de vele kleine koolzaadplantzaadjes:
Van lijn of koolzaad, hard geslagen
Koomt oli voort, tot elks behaagen
dat voedzel aan de lamp verstrekt,
die, in het duister ’t licht ontdekt.
(lijn is lijnzaad, zaad van vlas)

Koolzaadakkers
Vanuit voorbij zoevende auto’s, bussen of andere voertuigen en van veraf lijken de velden koopzaad gele vlakken die opbollen, bij niet te hoge snelheid is vanaf de wegen of waterwegen te zien hoe de koolzaadplanten bewegen en dichtbij wordt de fijne structuur zichtbaar van de bloemtrossen en ook de houwen. Op de velden vol koolzaad werd geoogst wanneer de middelste hauwen geel tot grijsbeige kleuren, de plant rijpt zoals de bloemen openen, van beneden naar boven.
Wanneer alle hauwen rijp zouden zijn, zouden openspringende hauwen veel zaadverlies geven. Oogsten begon vaak met in het zwad maaien, één tot twee weken later volgde het opraapdorsen, al kon er ook gemaaidorst worden. Het zaad werd nagedroogd.
Koolzaadolie en koek
Oliehoudend zaad wordt gekneusd-geplet-vermalen onder twee rondgaande zware (ronde) kantstenen, de kollergang genoemd. Het gekneusde, vermalen zaad wordt gelijkmatig verwarmd en omgeroerd op de vuister, een oventje met dikke ijzeren plaat (tot rond 50 graden). Dit verwarmde zaad wordt verdeeld over twee zakken of bulen (builen) en in de haren (persplanken) geklemd die in het voorslagblok worden geladen. Een wig wordt geheid in de voorslag en door de druk (> 300 atm.) wordt de olie uit het zaad geperst en blijft in de buul een platte koek.
De voorslagkoeken worden met een stamper in de appelpot kapot geslagen. Het olie slaan herhaalt zich in de naslag. Het naslagmeel wordt warmer gemaakt en een kleinere en tapsere wig wordt weer in het naslagblok geheid en dan wordt de laatste olie eruit geperst. De naslagkoeken (veevoer) worden heel gelaten of in de bijmolen vermalen tot meel.
.
Gerhild van Rooij, notities illustraties:
1 Koolzaadgeel Botanische tekening van koolzaad, Brassica napus (Historisch).
2 Herkomst Koolzaad Koolzaad in berm (foto Gerhild van Rooij).
3 Voormalige grond Lippenhuizen: Koolzaad bloei, honingbij Apis meillifera (CCSA).
4 Bij op koolzaad en dorpsvlag: Dorpsvlag Lippenhuizen (CCSA).
5 Bij op het dorpswapen: Dorpswapen Lippenhuizen (CCSA).
6 Historische koolzaadlampolie: Portret Jan Luyken (Historisch).
7 Koolzaadakkers: Akker op Zwemmen tussen het koolzaad (foto Marc Broekmans).
8 Koolzaadolie en koek: Botanische tekening van koolzaad(ui flora Batava).